Hoe oudkomers, nieuwkomers en statushouders Nederlands leren

I

n 2015 vroegen ruim 88.000 mensen asiel aan in Nederland. De meesten kwamen uit Syrië, Albanië en Eritrea. In een procedure bij het AZC bepaalt de IND wie recht heeft op een status. Daarna pas kan de integratie beginnen.

Een van de plekken waar dat gebeurt is Cybersoek, een activiteitencentrum in de Amsterdamse Indische Buurt. Onder de titel ‘De wereld aan je voeten’ lopen daar sinds 2001  projecten die de ontwikkeling en zelfstandigheid van (nieuwe) buurtbewoners bevorderen. Het project waar Nederlands wordt gegeven is de Open Inloop Taal. Officiële leslokalen zijn er niet in activiteitencentrum Cybersoek. De taalgroepen zitten verdeeld over twee computerlokalen en een open hal.

De taalgroep van juf Hilde van Dooren bestaat uit zes mensen: Martin (Costa Rica), Omar (Syrië), Samar (Syrië), Jamal (Syrië), Tuda (Marokko) en Nasir (Somalië). Juf Hilde legt uit wat schreeuwen is. Ze maakt luide keelklanken. Niet iedereen snapt meteen wat ze bedoelt. Samar wel.  ‘Ja’, zegt ze met een zucht, ‘kinderen…’

Taalles voor vluchtelingen
Taalles voor vluchtelingen bij Cybersoek

Op de stencils met taaloefeningen vullen de cursisten in welke woorden met hoofdletters moeten worden geschreven. Bij de zin ‘Ik woon in Rotterdam’, wordt de naam van de stad ingevuld met hoofdletter R. “Waar ligt Rotterdam?” vraagt Hilde voorzichtig aan de groep, “Weten jullie dat?” “Ja, bij Den Haag!” roept Jamal. “Wat knap!” zegt Hilde. Vervolgens zijn de werkwoorden aan de beurt. Hilde begint met het werkwoord ‘luisteren’. Even vraagt ze of de groep weet wat het betekent. Er gaat niet bij iedereen een belletje rinkelen. Samar vertaalt het woord ‘luisteren’ naar het Arabisch en meteen knikken de twee andere Syrische vluchtelingen. Voor de Costa Ricaanse Martin wordt het woord ‘luisteren’ vertaald naar het Engels. Dan gaan ze het rijtje af:

  • ik luister
  • hij luistert
  • wij luisteren

Terwijl de Syrische vluchtelingen en de Costa Ricaan ijverig meedoen met de taaloefeningen, gaat voor Tuda en Nasir de les te snel. “Tuda woont inmiddels 30 jaar in Nederland, maar spreekt de taal nog niet”, vertelt Hilde. Ook is ze ongeletterd en mag ze van haar man niet iedere week mee doen met de les. Haar Nederlandse docent helpt haar, terwijl de andere leerlingen bezig zijn met het invullen van de oefeningen.

De derde oefening bestaat uit zes plaatjes van gezichtsuitdrukkingen. “Wat doet deze man?” “Lachen!” roept de groep in koor. Dan volgen de uitdrukkingen schreeuwen, boos, verbaasd en verdrietig zijn, maar ook dat zijn woorden die de groep al kent. Het laatste plaatje roept geen reactie op. “De man is in de war”, legt Hilde uit. Als Martin niet-begrijpend kijkt, vertaalt ze het naar het Engels: “He is confused”.

Na een uur zwoegen is het tijd voor koffie en thee. De helft van de groep loopt naar de koffietafel of kijkt even op de telefoon. Hilde praat nog wat met de Somalische Nasir. Ze vraagt of het goed met hem gaat en of hij geen whisky meer drinkt. Nasir laat trots weten dat hij al een half jaar niet meer drinkt.

“Zijn verhaal is nogal triest”, vertelt Hilde later terwijl ze naar Nasir wijst. “Van alle familieleden uit Somalië is hij alleen met zijn moeder overgebleven. De rest is omgekomen”. Ook Nasir is ongeletterd en heeft moeite om over te brengen wat hij wil zeggen. Toch maakt hij graag contact. “Sommige mensen vinden dat eng, want hij probeert met alle woorden en gebaren die hij kent uit te drukken wat hij bedoelt”. De Somaliër komt nu een jaar bij de Open Inloop Taal, maar de lessen zijn moeilijk voor hem. “Het komt regelmatig voor dat Nasir de lessen van de vorige keren is vergeten. Dan schiet het niet op en dat is natuurlijk zeer spijtig”. Hoe zijn taalkennis zich ook ontwikkelt, Nasir hoort er bij. De cursisten beschouwen hem als een van hen, maar het omgekeerde komt ook wel eens voor. “Ik heb een keer een groep gehad waar een Syrische man niet geaccepteerd werd. Hij had waarschijnlijk een vorm van autisme en kon ook niet meekomen met de rest van de groep. Dat was best lastig”.
Na de koffiepauze komt er nog een cursist aanschuiven, die het eerste uur gemist heeft. Ze heet Fidelia en komt uit het Afrikaanse Liberia. “Hallo, hoe gaat het?” Ze gaat op haar plek zitten zonder excuus en reden van haar gemiste lesuur. Fidelia, die in vergelijking met serieuze cursisten behoorlijk druk is, krijgt direct ook een stencil met taaloefeningen. Ze kan direct mee doen.

De les gaat verder met lidwoorden. Bij de woorden raam, gezicht, zout en station moeten de cursisten ‘de’ of ‘het’ invullen. Na een paar taaloefeningen wijst Hilde naar een plaatje van een man die buiten een bankje zit. De cursisten krijgen de opdracht om te omschrijven wat ze zien. “Oosterpark! Vakantie!”, roept Nasir. Volle zinnen maken lukt hem nog niet. In plaats daarvan roept hij woorden. De wat gevorderde Jamal lukt het wel om een omschrijving te geven van de tekening: “De man zit op een bank”. Hilde legt uit wat het verschil is tussen een bank en een bankje. Jamal realiseert zich dan dat de situatie zich in de buitenlucht voordoet. “De man zit op een bankje”, verbetert Jamal zichzelf.

De wil om Nederlands te leren is groot. Hoewel Samar en de andere Syrische vluchtelingen pas een jaar in Nederland zijn, spreken ze al een aardig woordje Nederlands. Zelf vindt Samar van niet. ‘Het is moeilijk en het gaat langzaam,’ zegt ze. ‘De grammatica is lastig en er zijn geen duidelijke regels.’  Als Samar er op wordt gewezen hoeveel woorden ze al kent, knikt ze verlegen. ‘Ik wou dat het sneller ging.’

Illustratie: ©Emma Ringelding

2 Reacties

  1. Wat een goed initiatief! Helder en mooi geschreven verslag over hoe het eraan toegaat tijdens een taalcursus. Leuk (en goed) om een kijkje achter de schermen te krijgen. Met veel plezier gelezen! Ga zo door!

  2. Hoi Celine,

    gefeliciteerd met jou Majalla, ik vind de naam mooie en opvallend,
    ik ga mensen doorsturen naar je, hoop dat ze kunnen van nut zijn voor je.
    Gr,

    Amina

Laat een reactie achter

Laat een opmerking achter
Vul je naam in