I

n de noodopvang in de Amsterdamse Havenstraat, waar ik als vrijwilliger werkte, leerde ik drie Eritrese vrienden kennen. In gedachten noemde ik ze al snel de drie musketiers: Mekonen, Gebreab en Medhanie*.

Hoewel ze veel met elkaar optrokken, was me vanaf het begin duidelijk dat ze heel verschillend waren. Ik vind het bijzonder om mee te maken hoe die verschillen ook in hun taalontwikkeling te merken zijn.

Mekonen is de nieuwsgierigste van de drie, en het minst verlegen. Ik leer hem kennen in de wasmachineruimte als hij me vertelt dat hij, net als veel andere Eritreeërs, huidproblemen heeft en me vraagt wat we daaraan kunnen doen. Het Leger des Heils, dat de opvang runt, heeft ons al verteld dat veel mensen schurft hebben. Het beddengoed vaker dan gebruikelijk wassen is een deel van de oplossing. Daarom mag beddengoed met voorrang boven ander wasgoed gewassen worden. Dat vertel ik Mekonen.

Vanaf dat moment spreek ik hem bijna elke dag dat ik in de noodopvang werk. En als hij via een Facebookgroep een telefoon heeft gekregen, appen we ook. We praten Engels, maar ik vind het leuk hem ook wat woorden Nederlands te leren. Hij pikt het snel op. Hij gaat elke dag naar de Nederlandse les in de noodopvang en al snel zijn onze gesprekken een mix van Nederlands en Engels.

Toch verzucht Mekonen na een paar maanden: ‘Nederlands is zo moeilijk. Ik ga het nooit leren.’ ‘Ik wed dat we over een jaar alleen nog maar Nederlands met elkaar praten.’, antwoord ik. Mekonen gelooft er niks van. Maar al na zes maanden komt er geen Engels meer aan te pas, en zegt hij dingen als ‘Aju paraplu’ en ‘Vet leuk’. Als ik hem erop wijs hoe goed hij het doet, giechelt hij verlegen. Mekonen doet vrijwilligerswerk als lasser, zijn oude beroep, doet korte tijd mee met de hardloopclub op de noodopvang, en gaat vaak mee als er uitjes of etentjes georganiseerd worden. Hij verhuist naar een POL (procesopvanglocatie, waar asielzoekers verblijven in de tijd dat ze hun interview bij de IND doen) in Brabant en vervolgens naar een AZC in Gelderland, woont daar exact een jaar en krijgt een huis. Hij volgt een inburgeringscursus, haalt bijna alle examens, en overtuigt zijn klantmanager ervan hem toestemming te geven door te stromen naar de cursus staatsexamen; een niveau hoger. Zijn vrouw en zoontje komen naar Nederland, en hij leert ze hun eerste woorden Nederlands.

Mekonen wil graag weer werken als lasser, nu betaald, en doet een korte VCA-cursus, een cursus over veilig werken die verplicht is voor alle technische beroepen. Hij zakt voor het examen. Hij doet de cursus in het Engels. En zakt. Hij doet een uitgebreidere cursus, in het Nederlands, en zakt alweer. Hij wordt er wanhopig van en vraagt me wat hij moet doen. Ik stel hem gerust: ook voor veel Nederlanders is VCA een lastig te nemen hindernis. Ik ben ervan overtuigd dat het hem gaat lukken. Mekonen komt er wel.**

Riedeltje

Gebreab spreekt, in tegenstelling tot Mekonen, nauwelijks Engels. Op school in Eritrea zat hij vaak te dromen, vertelt hij. Of eigenlijk beeldt hij dat uit. Tot de leraar er genoeg van had en hem de klas uit stuurde. Nu heeft hij daar spijt van, want hij merkt hoe handig het is als je een andere taal spreekt dan alleen Tigrinya. Een tijd lang komen onze gesprekken niet verder dan steeds hetzelfde riedeltje: ‘How are you?’ ‘Fine.’ ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed.’ ‘Kemey aleka?’ ‘Xbuk.’ Dat laatste zijn de eerste woorden Tigrinya die ik leer. En daarna moet Mekonen weer bijspringen om te vertalen.

Gebreab doet wel zijn best om Nederlands te leren; hij gaat vaak naar de lessen in de noodopvang. Maar soms gaan de lessen te snel voor hem. Gebreab doet mee met de hardloopclub en soms gaat hij mee als er een uitje georganiseerd wordt.

Met kerst vraag ik de drie musketiers naar mijn huis te komen. Ze wonen dan drie maanden in Nederland. Een paar van mijn Nederlandse vrienden komen ook. Wat er dan gebeurt, vind ik kenmerkend voor elk van de drie musketiers. Mekonen praat met één van mijn vriendinnen in een mix van Engels en de Nederlandse woorden die hij inmiddels kent. Gebreab zit ernaast en kijkt en luistert aandachtig, maar zegt zelf niets. Medhanie zit op een stoel iets verderop en speelt met zijn telefoon.

Na een half jaar noodopvang verhuist Gebreab naar een POL en dan naar een AZC in het oosten van het land, maar we houden contact. Als we bellen, beginnen we als grapje met ons oude riedeltje ‘How are you?’ ‘Fine.’ ‘Hoe gaat het?’. Enzovoort. Inmiddels kan hij wel in Nederlandse steekwoorden vertellen wat hij vandaag heeft gedaan, maar de gesprekken blijven kort.

Gebreab krijgt een huis in een Brabants dorp. Een buurvrouw helpt hem met alle praktische dingen, en ook met het verbeteren van zijn Nederlands. Hij begint aan de inburgeringscursus en zijn klantmanager vindt een baantje voor hem. Hij belt me op. ‘Mag ik jou elke week bellen? Dan wil ik Nederlands praten om te oefenen.’ Wat leuk dat hij dat zelf bedenkt! Natuurlijk stem ik in. Vanaf dan hangen we vaak wel meer dan een half uur aan de telefoon. En soms ga ik naar hem toe, of zie ik hem in het huis van Mekonen, want dat zijn nog altijd goede vrienden.  Gebreabs vrouw en dochter komen naar Nederland en tot mijn verrassing neemt Gebreab, net als Mekonen, de rol van docent Nederlands op zich. En hij dringt erop aan dat zijn vrouw snel met de inburgeringslessen begint, en dat zijn dochter naar de peuterspeelzaal gaat. Hij heeft ondervonden hoe onhandig het is als je de taal niet spreekt en wil dat zijn familie besparen. Dat is gelukt: zowel zijn vrouw als zijn dochter spreken inmiddels beter Nederlands dan Gebreab zelf. Maar Gebreab blijft ook vooruitgang boeken. Hij is inmiddels geslaagd voor alle onderdelen van het inburgeringsexamen, als eerste van de drie musketiers! Over Gebreab hoef ik me geen zorgen te maken.

‘Nee, alleen beetje!’

Medhanie is van een andere orde. Hij is verreweg de stilste en meest verlegen musketier. Soms kan hij er echt niet onderuit contact te zoeken met een Nederlander, bijvoorbeeld als hij naar de dokter moet. Dan neemt hij Mekonen mee en verschuilt zich letterlijk achter hem, terwijl Mekonen het woord doet. Engels spreekt hij niet. Hij ligt lang in bed, gaat heel af en toe naar de Nederlandse les in de noodopvang en doet bijna nooit mee met sport of uitjes. Als ik iets tegen hem zeg, kijkt hij vragend naar Mekonen. ‘Wat zegt ze?’ Aanvankelijk vertaalt Mekonen alles voor zijn vriend, maar na een tijdje zegt hij: ‘Nee, je moet het zelf proberen.’ Maar dat vindt Medhanie eng en moeilijk.

Met Mekonen en Gebreab ga ik naar de kerstboomverbranding, naar het park, of we gaan koken in mijn huis. ‘Wil Medhanie niet mee?’, vraag ik dan. ‘Die slaapt’, is hun antwoord meestal. Medhanie gaat naar dezelfde POL als Mekonen en kan dus nog een paar weken aan hem ‘hangen’. Maar dan scheiden hun wegen, want ze gaan naar verschillende AZC’s. Mekonen vertelt: ‘We gingen met dezelfde trein, maar ik moest er eerder uit dan hij. Ik voelde me verdrietig en ongerust toen ik uitstapte. Hoe moet dan nou met hem? Hij weet niet hoe treinen en bussen werken en hij kan helemaal geen Nederlands of Engels.’ Ook ik maak me zorgen over Medhanie. Hoe gaat hij het ooit redden in Nederland? Hoe gaat hij alles regelen als zijn vrouw en kinderen komen?

Soms bel ik hem, maar hij neemt meestal niet op. Als hij wel opneemt, geeft hij de telefoon snel aan iemand die beter Nederlands spreekt. Hij durft niet met me te praten en is bang om fouten te maken. Af en toe bel ik hem samen met Mekonen of Ghebreab, vanaf hun telefoon. Dan neemt hij wel op, maar zegt hij dat hij het druk heeft en nu niet kan praten.

Een enkele keer zie ik hem in het huis van Ghebreab of Mekonen, als daar een feest is. Dan groet hij me hartelijk, en gaat snel een eindje bij me vandaan zitten. Zelfs als ik naar zijn huis ga op de dag dat zijn vrouw en kinderen naar Nederland komen, ontwijkt hij me een beetje. Nog steeds durft hij niet met me te praten. Ik ga dan even later naast hem zitten met iemand die redelijk Nederlands spreekt, zodat die als tolk kan dienen. Het voelt een beetje ongemakkelijk en de gesprekjes blijven ultra-kort.

Tot het doopfeest van Mekonens dochter, drie jaar nadat de drie musketiers naar Nederland kwamen. In de volle huiskamer komt Medhanie naast me zitten en begint te praten. Ik kan mijn oren niet geloven. Medhanie praat! Nee, zijn Nederlands is niet goed, maar we begrijpen elkaar prima. Hij vertelt dat hij bezig is met de inburgering en over een paar maanden examen gaat doen. Zijn vrouw is zwanger, maar blijft zo lang mogelijk naar de inburgeringslessen gaan. Zijn dochter doet het prima in de schakelklas en zijn zoontje vindt het zo leuk op de peuterspeelzaal dat hij er in het weekend ook naartoe wil.

We praten zeker een half uur zonder dat iemand hoeft te helpen vertalen. Ik zeg Medhanie dat ik heel blij en trots ben dat hij nu eindelijk Nederlands praat. ‘Néé, alleen beetje!’ wuift hij mijn complimenten weg. Ja, welbeschouwd is zijn Nederlands nog steeds erg matig. Maar hé, hij praat! Hij durft het!

Vanaf die dag appen we ook. Zijn spelling is nogal ‘apart’ en soms moet ik de appjes hardop lezen om te begrijpen wat hij bedoelt. Maar daar heb ik al drie jaar op kunnen oefenen met de appjes van andere Eritreeërs, dus dat lukt wel.

Het heeft ruim drie jaar geduurd, maar eindelijk ben ik er gerust op dat ook Medhanie het wel gaat redden in dit nieuwe land.

*Alle namen zijn verzonnen.
** Vlak voor ik dit artikel publiceerde, liet Mekonen weten dat hij is geslaagd voor het VCA-examen.

Illustratie: Emma Ringelding

Laat een reactie achter

Laat een opmerking achter
Vul je naam in